Heerenhuys-kamerconcert

Sunday 24 February 2019, 11:30 uur  - Alle concerten, Heerenhuys, Rotterdam

Slavische trio’s en duo’s in het Heerenhuys

PROGRAMMA

5+5=3 | TERZETTO Op. 74 (1887)- ANTONIN DVORAK (1841-1904)

I. Introduzione – Allegro ma non troppo
II. Larghetto
III. Scherzo. Vivace – Trio. Poco meno mosso
IV. Tema con variazioni. Poco Adagio—Molto

5+5=3 | SERENADE Op. 12 (1920)- ZOLTAN KODALY (1882-1967)
I. Allegramente – Sostenuto ma non troppo
II. Lento ma non troppo
III. Vivo

5+5=2 | 44 DUO’S Sz 98– BELA BARTOK
I. Forgatós (Roemeense wervelende dans)
II. Szerb Tánc (Servische dans)
III. Oláh Tánc (Walachiaanse dans)
IV. Arab Dal (Arabische dans)
V. “Erdélyi” Tánc (Transsylvaanse dans)

Kaarten

Korte toelichting

Antonín Dvořák schreef het Terzetto voor twee violen en altviool binnen een paar dagen. De ongebruikelijke instrumentencombinatie is te danken aan het feit dat Dvořák het stuk helemaal niet schreef voor het concertpodium. In plaats daarvan speelde hij het binnenshuis als amusement met twee bevriende violisten, waarbij hij zelf de altvioolpartij vertolkte. Desondanks werd het stuk binnen drie maanden in het openbaar uitgevoerd en werd de bladmuziek datzelfde jaar nog uitgegeven. Die aanvankelijke populariteit heeft het Terzetto altijd behouden: de continue afwisseling tussen zoete lyriek en markerende ritmes blijft het publiek keer op keer boeien.

De Hongaarse componist Zoltán Kodály was gefascineerd door de folklore van zijn thuisland. In deze Serenade hoort u onder andere traditionele volksdansen, liederen en zelfs vogelgeluiden. Zijn collega, componist Bela Bartók, was zeer onder de indruk van het werk, en zei hierover: “Deze compositie is een oprecht en modern product van Hongaarse cultuur. Het is buitengewoon rijk aan melodieën met exotische karakteristieken en beïnvloed door het vrije karakter van aloude plattelandsmuziek”.

Evenals het Terzetto van Dvořák waren de duo’s van Bela Bartók niet bedoeld om uitgevoerd te worden in een concertzaal. Ze dienden meer als studiemateriaal voor jonge muziekstudenten die in Bartók’s eigen woorden “in hun eerste studiejaren werken kunnen spelen waarin zij de natuurlijke eenvoud van de volksmuziek, alsmede haar melodische en ritmische eigenaardigheden kunnen vinden”. De melodieën vinden hun oorsprong in de Hongaarse, Roemeense, Servische, Slowaakse en Arabische folklore.